Zin en onzin van influenzavirus typering
10-02-2026
Het griep- of influenzasyndroom
Griep of influenza is een jaarlijks terugkerende, seizoensgebonden en besmettelijke infectie dat wordt veroorzaakt door griepvirussen (ook wel “influenzavirussen”). De primaire verspreidingsroute gebeurt via aerosol en direct contact met besmette personen.
Influenza gaat typisch gepaard met een ‘griepsyndroom’. Enkele van de meest gerapporteerde symptomen zijn (ril)koorts, algemene en soms prominente malaise, spierpijn, hoofpijn, nausea en droge hoest. Klinisch is het veelal niet mogelijk om met zekerheid een onderscheid te kunnen maken tussen een influenza-geïnduceerd griepsyndroom en andere respiratoire infecties zoals rhinovirussen, coronavirussen of RSV. Bij de meeste mensen met normale immuniteit kent influenza een mild tot matig en zelflimiterend klinisch verloop. Bij bepaalde risicopatiënten (vb: ouderen, COPD-patiënten) kunnen er soms ernstige complicaties optreden. Vooral bij deze populatie wordt preventie door jaarlijkse vaccinatie aanbevolen.
De virologische achtergrond van griep
Figuur 1 visualiseert schematisch de opbouw van een influenzavirus.

Figuur 1 : Opbouw van een influenzavirus. Influenza behoort tot de Orthomyxoviridae. Het genetisch materiaal van een influenzavirus bestaat uit RNA dat omgeven is door een kapsel met twee typerende eiwitten, namelijk het hemaglutinine (H) en het neuraminidase (N) eiwit.
Er bestaan 4 types influenzavirussen. Vooral type A en, in mindere mate, type B influenza zijn de veroorzakers van de jaarlijks terugkerende griepepidemie. Type C influenza is slechts een sporadische verwekker van een meestal milder griepsyndroom en type D influenza is een zuiver veterinaire verwekker van influenza. Influenza A virussen worden typisch gesubtypeerd op basis van hun H- en N-subtype (vb: H1N1, H5N1, etc.), waarvan er respectievelijk 18 en 11 subtypes beschreven zijn. In tegenstelling tot influenza A, worden influenza B virussen niet gesubtypeerd, maar verder geclassificeerd in twee verschillende stammen, namelijk B/Yamagata en B/Victoria. Een overzicht is gegeven in Tabel 1.
Vooral influenza A virussen zijn genetisch labiel waardoor er een hoge frequentie aan mutaties kan optreden, wat resulteert in zogenaamde “antigenische drift”. Dit gecombineerd met het feit dat niet alle subtypes elk jaar in het vaccin kunnen worden opgenomen, zorgt ervoor dat het vaccin nooit 100% beschermend is. Het vaccin vermindert vooral de kans op ernstige complicaties.
Tabel 1: Overzicht van de hoofdkenmerken van type A, B en C influenza.
|
Influenza A |
Influenza B |
Influenza C |
|
Sterke antigenische drift |
Weinig antigenische drift |
Weinig tot geen antigenische drift |
|
Honderden stammen obv H en N subtypes |
2 stammen obv H en N subtypes |
Geen onderverdeling |
|
In staat tot pandemieën na genherschikking |
Geen pandemieën |
Geen epidemieën of pandemieën |
|
Griepaal syndroom met soms ernstige complicaties |
Meestal minder ernstig dan influenza A |
Milder |
Diagnostiek van influenzavirussen
Laboratoriumdiagnose van griep berust op het aantonen van genetisch of antigenisch materiaal van een influenzavirus, typisch op een nasopharyngeale wisser.
Antigentesten of “sneltesten” hebben als voordeel een snel resultaat geven (typisch <15 min), doch dit detectieprincipe heeft een duidelijk lagere gevoeligheid dan PCR. Dit betekent dat antigentesten vaker vals-negatief zullen zijn, dus een negatief resultaat zullen geven terwijl er wel influenza aanwezig is.
PCR daarentegen detecteert specifiek genetisch materiaal na een exponentiële vermenigvuldiging, en is daarom gevoeliger (vaker “juist positief”). Het nadeel is dat het staal naar het labo dient verstuurd te worden, met trager resultaat tot gevolg.
In het labo hebben we twee testen om griep op te sporen. Ten eerste de zgn. “Winterkit”, waarbij influenza A, influenza B, RSV en SARS-CoV-2 worden opgespoord. Ten tweede hebben we ook een uitgebreider respiratoir panel, waarbij ook atypische bacteriële verwerkers (bv. Mycoplasma of Chlamydia) en andere virussen (zoals non-SARS coronavirussen en hMPV) worden opgespoord. Dit kan interessant zijn omdat de kliniek van dergelijke respiratoire infecties vaak niet onderscheidend is, en omdat de behandeling ook kan verschillen (antibiotica bij bacteriële verwekkers).

Figuur 2 : Cyberlab aanvraagmogelijkheden voor opsporing influenza