Lyme borreliose 800
← Terug

Slimmere Lyme-diagnose: labotesten als ondersteunende partner

15-09-2025

Achtergrond

Lyme Borreliose of de ziekte van Lyme, wordt veroorzaakt door een infectie met de bacterie Borrelia burgdorferi. Deze wordt typisch overgedragen na een beet van een besmette Ixodes teek.

In België zijn de meeste teken niet besmet (prevalentie geschat op 10-15%), en zelfs bij een beet van een besmette teek is er niet altijd transmissie. Vooral wanneer de teek laattijdig verwijderd wordt (>12 à 24 uur) is er een risico op overdracht van de bacterie.

Ten slotte zal een aanzienlijk deel van de mensen waarbij er effectief overdracht is van de bacterie, nooit klinische symptomen ontwikkelen. De bacterie wordt in dat geval “opgeruimd” door het immuunsysteem zonder de veroorzaking van ziekte. Bij deze mensen is er wel antistofvorming, wat een hoge seroprevalentie in sommige streken verklaart (zie verder).

Kliniek

De diagnose van Lyme borreliose berust vooral op de aanwezigheid van typische symptomen in de context van een (mogelijke) blootstelling aan een tekenbeet zoals een wandeling in het bos of blootstelling in de tuin. Erythema migrans (EM) is de meest frequente vroege klinische manifestatie in deze streken. Dit rode huidletsel met centrale opklaring verschijnt binnen de 3 tot 30 dagen na de tekenbeet (meestal na 7 à 14 dagen), zie foto’s.

Merk op dat in de eerste 8 à 12 weken na de tekenbeet de gevoeligheid van antistoffen laag is (het lichaam is deze nog aan het vormen), en deze dus vals-negatief kunnen zijn. Serologie wordt daarom niet aangeraden in de vroege fase na een (mogelijke) tekenbeet. Behandeling kan in dit geval gestart worden op basis van de typische kliniek en de context.

Naast het EM kunnen indien niet behandeld zeldzaam ook lymfocytoom en gedissimineerde vormen van Lyme voorkomen zoals multipele erythema migrans, vroege neuroborreliose (typisch een facialisparese bij kinderen en een meningoradiculitis bij volwassenen) en carditis. In latere stadia (maanden tot jaren nadien) kan artritis of acrodermatitis chronica atrophicans voorkomen. Late neuroborreliose presenteert zich als een encephalomyelitis of radiculomyelitis die langer dan 6 maanden aanwezig is.

Serologie: wanneer nuttig?

Serologie is voornamelijk nuttig in latere fases van de ziekte bij verdenking op gedissimineerde vormen (zie hierboven), in de context van een (mogelijke) blootstelling aan een tekenbeet. Een ander scenario is wanneer er een historiek van een (mogelijk) erythema migrans is dat niet tijdig werd behandeld, waarbij de patiënt zich nu presenteert >8 à 12 weken na de (mogelijke) tekenbeet. In deze gevallen kan een positieve serologie de diagnose van Lyme borreliose bevestigen. Bij verdenking op neuroborreliose (quasi steeds positieve IgG in bloed) wordt lumbaalpunctie met opsporing van intrathecale antilichamen aangeraden.

De testen voor Lyme borreliose bestaan uit screeningtesten (IgM en IgG), waarbij er een confirmatietest kan gebeuren via een zogenaamde immunoblot. Confirmatietesten worden aangeraden bij een (zwak) positieve screeningstest waarbij er klinische verdenking is op Lyme borreliose.

De seroprevalentie van Borrelia antilichamen kan aanzienlijk zijn in bepaalde regio’s (bv. in Namen is dit >30%) en mensen met bepaalde risicoberoepen (bv. 30-50% bij boswachters). Een positieve serologie zonder de typische symptomen wijst daarom niet op een actieve infectie, en mag nooit de reden zijn voor het opstarten van antibioticatherapie.

Het is te vermijden om Borrelia serologie te bepalen bij aspecifieke klinische symptomen zoals chronische vermoeidheid, aspecifieke diffuse pijnen en psychiatrische problemen. Zeker indien er geen context is van mogelijke tekenblootstelling. Dit zijn geen tekens van de ziekte van Lyme maar er is wel een mogelijkheid dat de serologie hier alsnog positief zal zijn (vals-positieve reacties of blootstelling in het verleden), met mogelijkse foutief opstarten van antibioticatherapie tot gevolg. Ongeveer 5% van de bevolking zal (vals) positief testen op Borrelia IgM screeningstesten, door kruisreactiviteit met antistoffen tegen andere virussen/bacteriën (zoals EBV, CMV) of auto-antilichamen.

Samengevat

  1. De diagnose start met een inschatting van het risico en de kliniek – een goede anamnese en symptoomanalyse zijn cruciaal.
  2. Labotesten zijn ondersteunend in latere fases van de ziekte –vroeg in een infectie zijn ze weinig informatief.
  3. Antistoffen (IgG en/of IgM) kunnen gedurende jaren positief blijven. De mate van daling van de titer na behandeling heeft geen duidelijke relatie met het klinisch succes van de therapie en het opvolgen van de titer wordt dan ook niet aangeraden.
  4. Alle klinische manifestaties van Lyme borreliose moeten gericht behandeld worden met antibiotica. Daarentegen, een positieve serologie zonder karakteristieke symptomen is een serologisch restverschijnsel (of vals-positieve reactie) en moet niet behandeld worden, zodat men een onverantwoorde blootstelling aan antibiotica kan vermijden.

Bron: gids lyme borreliose