Bloedafname: nuchter of niet?
29-12-2025
Een correcte bloedafname begint niet in het labo, maar bij de voorbereiding van de patiënt. Dit maakt deel uit van de zgn. “preanalytische fase”, of alles wat met het staal te maken heeft vóór de analyse. Één van de zaken die een rol speelt hierin is het al dan niet nuchter afnemen van het staal.
Definitie
In verband met labotesten betekent “nuchter zijn” ≥12 uur niets gegeten of gedronken hebben (behalve water). In theorie kan koffie of thee zonder suiker of melk, maar om pre-analytische variatie te beperken wordt idealiter enkel water toegestaan. Dit gezien cafeïne een (beperkt) effect kan hebben op bijvoorbeeld cortisolwaarden of glucosewaarden door activatie van het sympathisch zenuwstelsel.
Voor een bloedafname heeft inname van (kleine tot matige hoeveelheden) water weinig effect, in tegendeel, het kan de afname makkelijker maken doordat de venes duidelijker zichtbaar en beter aanprikbaar worden. Bij dehydratie kan een bloedafname erg moeilijk zijn door “platvallen” van de venes. Een tip bij een moeilijke/mislukte bloedafname kan daarom zijn om de patiënt een glas water te geven, en 15’ later opnieuw te proberen.
Merk op dat deze definitie van “nuchter” verschillend is van de definitie van “nuchter” in de preoperatieve context, waar ook water problematisch kan zijn. Dit heeft dan te maken met het risico op aspiratie wanneer er geïntubeerd moet worden, en de maag dus best zo leeg mogelijk is.
Toch belangrijk te vermelden: “niet nuchter” betekent niet “onbeperkt eten”. Een zware of extreem vetrijke maaltijd vlak vóór de afname kan ook hier lichte verstoringen geven als er massieve aanwezigheid is van chylomicronen. Het staal wordt dan lipemisch of “troebel” waardoor de toestellen wat moeite kunnen hebben met het correct meten. Dit wordt op het rapport aangeduid door middel van de lipemische index.
Welke testen zijn beïnvloed?
Glucosehuishouding
Uiteraard is glucose een van de meest gevoelige parameters als het gaat over voedselinname, gezien de meeste maaltijden koolhydraten bevatten die zorgen voor stijging van de bloedsuiker. Wat soms vergeten wordt is het antwoord van het lichaam op die glucose, namelijk insuline, die (logischerwijs) ook stijgt postprandiaal. Na eten van koolhydraten is het dus fysiologisch dat zowel glucose als insuline in beperkte mate verhoogd zijn. Als de waarden extreem worden (glucose >200 mg/dL), is dit echter niet meer “normaal” en kan dit wijzen op (pre)diabetes mellitus type 2.
De HOMA2 insulineresistentie index (een berekening op basis van glycemie en insulinemie) veronderstelt ook een nuchtere afname. Indien postprandiaal een HOMA2 wordt berekend, zal verkeerdelijk besloten worden dat er een uitgesproken insulineresistentie is (door de verhoogde insulinewaarden), terwijl dit in dat geval een vals-positief resultaat betreft.
HbA1c daarentegen fluctueert niet met de maaltijd, en kan dus een alternatief zijn om een inschatting van de metabole toestand te krijgen bij een niet-nuchtere patiënt.

Figuur: effect op waarden van verschillende labotesten, na een maaltijd van 700 kcal. Bron: Guder WG, Narayanan S, Wisser H, Zawta B. Diagnostic Samples: From the Patient to the Laboratory. 4th updated ed. Weinheim: Wiley-Blackwell; 2009.
Lipiden
Vooral triglyceriden kunnen sterk stijgen na de maaltijd. Gezien LDL-cholesterol berekend wordt rekening houdend met de triglyceriden, kan de LDL-cholesterol onderschat worden als de triglyceriden verhoogd zijn.
De mate van triglyceriden- en cholesterolstijging hangt af van de hoeveelheid vet in de maaltijd (vorming chylomicronen) alsook van de hoeveelheid (snelle) suikers, waar de lever zgn. VLDL (very low density lipoprotein) partikels van maakt. De samenstelling en grootte van de maaltijd speelt dus een grote rol. Als mensen “niet nuchter” zijn kan dit dus verschillende zaken betekenen. Dit in tegenstelling tot “nuchter”, wat voor iedereen hetzelfde is.
Naast de variatie in maaltijd is er een grote interindividuele variatie. Bij de meeste mensen is er een snelle klaring van chylomicronen (en ook VLDL-partikels), waardoor het effect van niet-nuchterheid minimaal kan zijn. Er zijn daarom auteurs die pleiten dat het niet nodig zou zijn om een lipidenprofiel (in screeningsetting) nuchter af te nemen (1).
Doch als er sprake is van dyslipidemie (ziektes met betrekking tot verhoogde lipidenwaarden in het bloed) kan net deze klaring van chylomicronen en VLDL-partikels verstoord of vertraagd zijn, met een grotere postprandiale stijgingen tot gevolg, die wel relevant kunnen zijn.
Als er sprake is van behandeling van gestegen cholesterol en het effect van de medicatie dient opgevolgd te worden, wordt ook aanbevolen om dit steeds in dezelfde omstandigheden te doen. Nuchtere afname biedt dan een meer “consistente omstandigheid” dan “niet-nuchter”.
Samengevat: voor screening en globale cardiovasculaire risico-inschatting kan een niet-nuchter lipidenprofiel volstaan, maar bij gekende dyslipidemie, verhoogde triglyceriden of therapie-opvolging blijft een nuchtere afname te verkiezen.
Andere
Naast glucose en lipiden zijn er nog enkele andere parameters die “last” kunnen hebben van recente voeding (afhankelijk van de grootte en recentheid van de maaltijd). De voornaamste zijn fosfaat en (indirect) bilirubine. In mindere mate kunnen de leverenzymes AST/SGOT en ALT/SGPT ook lichtjes verhogen.
Daarnaast zijn er parameters die beïnvloed worden maar waar het effect van de beïnvloeding klein tot minimaal is: urinezuur, totaal eiwit, calcium, natrium, ureum en LDH. Nuchtere afname kan hier overwogen worden maar is zeker geen “noodzaak” (2).
Welke testen zijn niet beïnvloed?
Er zijn ook testen (de meerderheid in feite) waar voeding geen of nauwelijks effect op heeft. Deze kunnen zonder probleem niet-nuchter gemeten worden.
Voorbeelden:
- Complet (Hb, RBC, WBC, bloedplaatjes)
- Ontstekingsparameters (CRP, sedimentatie)
- Nierfunctie (creatinine)
- Schildklierwaarden (TSH, FT3, FT4)
- Vitamines
- Tumormarkers
- …
Praktisch besluit
- Nuchter: glucose, insuline/HOMA2, triglyceriden, therapie-opvolging lipiden
- Niet nuchter mogelijk: HbA1c, meeste routineparameters
- Bij twijfel: overleg met klinisch bioloog
Bronnen
1. Nordestgaard BG, Langsted A, Mora S, Kolovou G, Baum H, Bruckert E, et al. Fasting Is Not Routinely Required for Determination of a Lipid Profile: Clinical and Laboratory Implications Including Flagging at Desirable Concentration Cutpoints-A Joint Consensus Statement from the European Atherosclerosis Society and European Federa…. Clin Chem [Internet]. 2016 Jul 1 [cited 2025 Dec 24];62(7):930–46. Available from: https://pubmed.ncbi.nlm.nih.go...
2. Guder WG, Narayanan S, Wisser H, Zawta B. Diagnostic Samples: From the Patient to the Laboratory The Impact of Preanalytical Variables on the Quality of Laboratory Results.
3. Van Elslande J, Hijjit S, De Vusser K, Langlois M, Meijers B, Mertens A, et al. Delayed diagnosis and treatment of extreme hypertriglyceridemia due to rejection of a lipemic sample. Biochem Med (Zagreb) [Internet]. 2021 Jun 15 [cited 2025 Dec 26];31(2):021002. Available from: https://pubmed.ncbi.nlm.nih.go...